|
Wetenschappelijke Bibliotheek Het verband tussen aspartaamconsumptie en het risico op hersentumoren bij kinderen: de resultaten van een case-controle-onderzoek Het aantal gevallen van hersenkanker neemt in de Verenigde Staten toe onder zowel volwassenen (1) als kinderen (2). In een rapport van Olney en anderen werd gesuggereerd dat aspartaam, een door velen gebruikte kunstmatige zoetstof, de oorzaak hiervan zou kunnen zijn. (3). In een descriptieve analyse van de nationale gegevens over kanker werd een toename van het aantal gevallen van hersenkanker in de Verenigde Staten gevonden die samenviel met de introductie van aspartaam in voedingsmiddelen in het begin van de jaren 1980. In het kader van een populatie-gebaseerd patiëntcontrole-onderzoek van risicofactoren in het milieu en de voeding voor het optreden van hersentumoren bij kinderen, verzamelden we gegevens over de aspartaamconsumptie voorafgaande aan de datum van diagnose (of een vergelijkbare datum voor de controlegroep) van de biologische moeders van de onderzochte kinderen, door middel van een persoonlijk interview. De methodologie van dit onderzoek werd eerder gepubliceerd (4). Kort samengevat: de onderzochte patiënten waren 19 jaar of jonger en gediagnosticeerd met een primaire hersentumor in de periode tussen 1984 en 1991 in 19 provincies aan de westkust van de Verenigde Staten. De controlegroep werd samengesteld op grond van willekeurig gekozen nummers, waarna een frequentieafstemming plaatsvond op de leeftijd op moment van de diagnose, het geboortejaar, het geslacht en de plaats van het onderzoek. Wij presenteren gegevens over de consumptie van aspartaam onder een subset deelnemers van de onderzoekslocaties in Los Angeles en San Francisco, waar de vragen over aspartaamconsumptie werden toegevoegd aan de oorspronkelijke vragenlijst halverwege het interview. Onze analyse van de blootstelling van deze kinderen werd uitgevoerd op 56 patiënten en 94 personen uit de controlegroep die geboren waren in 1981 of later (in overeenstemming met de data waarop de Amerikaanse Food and Drug Administration [FDA] haar goedkeuring gaf aan aspartaam). Daarnaast onderzochten we ook het risico op hersentumoren in verband met de consumptie van aspartaam door de moeder gedurende de zwangerschap of de borstvoeding bij 49 patiënten en 90 personen uit de controlegroep die zich in 1981 of later in de baarmoeder bevonden. We berekende de odds ratio’s (Ors) en 95% betrouwbaarheidsintervallen en stelden e.e.a. bij voor de frequentie-afgestemde variabelen met gebruik van een onvoorwaardelijke logistieke regressie. Aanvullende aanpassingen voor bekende of vermoede risicofactoren (vitaminegebruik door de moeder, de consumptie van gerookt vlees, meeroken, röntgenstraling, hoofdletsel en een familiegeschiedenis van hersenkanker) hadden geen gevolgen voor onze resultaten. De kans dat patiëntjes voedsel met aspartaam hadden geconsumeerd was niet groter dan bij de controlegroep, noch wanneer alle bronnen van aspartaam werden gecombineerd (OR = 1,1), noch wanneer uitsluitend gekeken werd naar “light” dranken (OR = 0.9) (Tabel 1). Een bleek geen bewijs te zijn voor een verband tussen doses een reactie, op basis van de eerste consumptie, het aantal jaren van consumptie of de regelmaat van de consumptie. Er werd geen verhoogd risico op hersentumoren bij de kinderen waargenomen als gevolg van de consumptie van aspartaam door de moeder gedurende de zwangerschap, en tevens werd er geen verhoogd risico gemeten in afzonderlijk stadia van de zwangerschap of tijdens de borstvoeding (Tabel 2). Bovendien hebben we geen bewijzen gevonden voor een verband tussen aspartaam en hersentumoren toen we de analyse stratificeerden naar histologische subgroepen (astrogliaal, primitief neuroectodermaal of alle anderen). Deze bevindingen komen niet overeen met een voorondersteld verband tussen aspartaam en hersentumoren, al was onze onderzoeksgroep klein en waren de betrouwbaarheidsintervallen van onze risicobepalingen relatief groot. Het is onwaarschijnlijk dat herinneringsvertekening van invloed is geweest op deze gegevens, aangezien we dan een verhoogd risico hadden moeten zien; het is echter niet ondenkbaar dat een verkeerde classificatie van de blootstelling die willekeurig was verdeeld over patiënten en de controlegroep een werkelijk effect gemaskeerd heeft, wanneer het een zwak effect betrof. Bij ons zijn geen andere onderzoeken naar een mogelijk verband tussen aspartaam en het risico op hersenkanker bekend. Er zijn echter wel meerdere onderzoeken (5-8) verricht naar de potentiële neurotoxologische effecten van aspartaam. Er zijn echter weinig experimentele of biochemische rapporten met betrekking tot de carcinogeniteit van aspartaam beschikbaar in de wetenschappelijke literatuur. Voordat ze hun goedkeuring gaven aan het gebruik van aspartaam voor de menselijke consumptie, beoordeelden de FDA en een door de FDA benoemde openbare onderzoeksraad verschillende onderzoeken die werd verricht naar de vraag of aspartaam hersenneoplasmen kan veroorzaken bij muizen of ratten. De onderzoeken op muizen waren negatief, maar bij twee of drie van de onderzoeken aan ratten waren de FDA en de onderzoeksraad het aanvankelijk niet eens. Dit meningsverschil kon worden bijgelegd en gevolmachtigde van de FDA stelde vast dat aspartaam niet bijdroeg aan de vorming van hersentumoren bij ratten (7-10). Ook bij een later onderzoek bij ratten werd geen verband aangetroffen tussen aspartaam en het optreden van hersentumoren (11). Omdat bepaalde voedingsmiddelen in de maag kunnen worden genitroseerd zodat potentieel carcinogene N –nitroso-samenstellingen (12) ontstaan, hebben Shephard et al. (13) zich beziggehouden met de mutagene activiteit van aspartaam na nitrosatie. Er werd slechts een zwak mutageen effect van genitroseerde aspartaam waargenomen bij concentraties die aanzienlijk hoger dan de normale menselijke consumptie. Op basis van de kinetica van de nitrosatie van mutagene intermediairen, concludeerden Shephard et al. dat de laatste aminogroep van aspartaam, en niet de amidefunctie, hoofdzakelijk getroffen werd door nitrosatie. Er is echter een nitrosatie van de amidefunctie en niet van de laatste aminogroep voor nodig om potentieel een hersencarcinogeen te produceren wanneer wordt uitgegaan van het vermogen van de betreffende nitrosourea om hersentumoren te veroorzaken in laboratoriumdieren (14). De conclusie moet dan ook zijn dat ons onderzoek weinig biologische of experimentele bewijzen heeft gevonden dat aspartaam zou kunnen optreden als een hersencarcinogeen bij mensen. Journal of the National Cancer Institute, Vol. 89, No. 14, 16 juli, 1997 |